Menu  

Journalist

tel: 06-24155729

 

Modeklimaat voor jonge ontwerpers: “Zo blij dat je juist háár naam noemt”

Nederlandse ontwerpers zijn hot. Tot ver over de landgrenzen wordt gekeken naar de conceptuele benadering van Dutch Design, ook in de mode. Maar hoe is het ontwerpklimaat eigenlijk voor die jonge modeontwerpers? Hebben ze het moeilijk of is het juist makkelijk om kleding aan de man te brengen? Een gesprek met twee jonge designers: Claes Iversen en Sanne Schrijver, een winkeleigenaar met durf: Judith ter Haar en een man die jong talent actief ondersteunt: Frans Molenaar.

Hoeveel talent je ook hebt als jonge modeontwerper, met die creatieve gaven alleen kom je er niet. Daar zijn de vier het wel over eens. Claes Iversen (30) volgt een masteropleiding aan het Fashion Institute Arnhem (FIA) en wordt door verschillende bladen geroemd om zijn ontwerpen. Toch lijkt het er op dat hij meer tijd kwijt is met het opzetten van een zakelijk bedrijf dan met het perfectioneren van zijn eigen stijl, waar de opleiding toch voor bedoeld is. “Als ik naar mezelf kijk, dan ben ik eigenlijk gewoon een ondernemer. Ontwerpen is zo’n klein onderdeel van alles geworden, je kunt niet meer maandenlang zitten tekenen. Er komt onderhand een behoorlijke zakelijke kant bij kijken.”
Claes Iversen is dan ook wel ambitieus, erg ambitieus. Hij wil veel, wat onder meer te zien is in zijn afstudeercollectie. Op het moment dat hij die ontwerpt, is hij zich ervan bewust dat hij niet al het werk zelf zal kunnen doen. “Vorig jaar heb ik al wel gewerkt met een stagiaire, maar voor mijn eindcollectie bij het FIA neem ik er drie in dienst, misschien vier.” Toch zullen ook al die stagiaires niet voldoende zijn, hij heeft contacten met verschillende partijen: de een maakt een korset, de ander een of meerdere sets -van patroon tot uiteindelijk kledingstuk-, hij is met het Textielmuseum bezig voor een aantal breisels en met een instituut in Denemarken voor iets met bont.
“Die planning en logistiek zijn ingewikkeld. Ik reis de hele tijd op en neer tussen mijn atelier en andere plaatsen. Ik vind het wiel niet meer steeds opnieuw uit, maar stuur het allemaal aan. Je moet groeien, de lat hoger leggen. Het is mijn grootste collectie ooit, de kwaliteit moet hoog blijven.”

Productie
Op het moment dat een ontwerper succesvol wordt, treden andere mechanismen in werking. Sanne Schrijver, ook student aan het FIA, werd door Margreet Olsthoorn van de gelijknamige winkel uit Rotterdam benaderd voor een aantal van haar ontwerpen. “Ze zag mijn ontwerpen en wees even snel aan: tien van die broek, acht van die top enzovoort. Uiteindelijk is het er niet van gekomen omdat ik het FIA ging doen.” En anders was het nog de vraag geweest of het door was gegaan, want wat had ze eraan overgehouden? “Ik had de patronen moeten verkleinen en vergoten, opnieuw stoffen moeten zoeken en alle stukken met de hand, stuk voor stuk in elkaar moeten zetten. Het was enorm veel werk geweest, en ik weet niet of ik er qua geld iets aan overgehouden had.”
Bovendien is het –in het algemeen- voor de creativiteit raadzamer om met nieuwe ontwerpen te komen, dan in de breedte te produceren voor winkels. Productie uitbesteden dus, maar ook daar komt veel bij kijken. In Nederland is de textielindustrie verdwenen; alleen tegen heel hoge prijzen kun je hier nog iets laten maken. En in het buitenland, tja…
Sanne Schrijver: “Omdat ik dit jaar een wedstrijd had gewonnen, mocht ik naar China. En ze wilden mijn kleding in productie nemen, ik hoefde alleen de patronen maar even af te geven. Maar dat heb ik niet gedaan, je weet nooit hoe mooi of lelijk die kleding terugkomt: daar wil ik gewoon bijzijn. Bovendien weet ik niet wat er met die patronen gebeurt.”
Claes Iversen wijst vooral op de contacten: “Je wil dat een producent begrijpt wat je bedoelt als het echt mooi moet worden. Dus je moet erheen en veel praten. Erachter komen wat hun vaktaal is en een relatie opbouwen. Je moet je er goed in verdiepen, uit Italië en Zuid-Europa komt veel beter gemaakte kleding dan uit Oost-Europa en China.”
Van verschillende kanten is de klacht te horen dat juist die zakelijkheid ontbreekt op de Nederlandse modeacademies, die zich veel meer richten op creativiteit. Een initiatief dat inspeelt op die behoefte aan zakelijkheid is het programma Turning talent into Business. Onder meer HTNK en de Dutch Fashion Foundation hebben deze leerschool opgezet om jong talent de basisbeginselen bij te brengen van zakelijkheid. Vijftien jonge modeontwerpers worden gesteund in hun ondernemerschap, zodat ze niet in een zwart gat vallen als ze vers van de academie komen.

Geld en prijzen
Een probleem dat daar direct mee te maken heeft is het geld dat gestoken moet worden in een collectie. Sanne Schrijver: “Je moet heel veel investeren voordat je überhaupt iets terugverdient. Voor deze eindexamencollectie heb ik zo’n zesduizend euro nodig, dat is gewoon heel veel geld. Van een fonds heb ik vierduizend euro gekregen. Daar ben ik blij mee, anders had ik niet kunnen afstuderen, zo afhankelijk ben ik van dat geld. Kan het niet met minder? Nee, want dan moet ik slechtere stoffen gebruiken en dat wil ik niet.”
Claes Iversen: “Ik gebruik spaargeld en ik leen regelmatig. Ik hoop echt dat er binnenkort wat bestellingen komen. Maar investeren is nodig, ook al komt er weinig geld binnen. Ik zit er nu zo diep in: ik moet in mezelf geloven dat het binnenkort gaat komen.”
Gelukkig zijn er de nodige initiatieven om jonge ontwerpers te helpen. Sanne Schrijver wijst op een duimendik boek met allemaal fondsen in Nederland en Claes Iversen begint over sponsoring. Voor de show die hij deze zomer gaf op de AIFW, liet hij zich sponsoren door Mulberry.

Het winnen van een belangrijke modeprijs daarentegen, zet vaak pas echt zoden aan de dijk. De Frans Molenaar Prijs is de belangrijkste en in elk geval bekendste prijs in Nederland. Initiatiefnemer Frans Molenaar: “De winnaar krijgt tienduizend euro die hij mag steken in het maken van een collectie. Ook andere investeringen, zoals een professionele naaimachine, vallen daaronder. Bovendien mag hij of zij een jaar later zijn collectie aan het publiek presenteren bij de volgende uitreiking van de prijs.”
Maar helpt dat jonge ontwerpers ook daadwerkelijk? Frans Molenaar: “Dat is altijd maar afwachten wat iemand er zelf van maakt. Van sommige winnaars hoor je nooit meer iets terug, anderen gaan sky-high. Percy Irausquin bijvoorbeeld won de prijs in 2001 en ging daarna heel erg hard omhoog. En winnaars krijgen makkelijker freelance-opdrachten na het winnen van mijn prijs. Voor bedrijfskleding, maar ook van de Suit Supply bijvoorbeeld.”
Volgens Molenaar heeft de prijs een aantal grote voordelen voor de winnaar. Natuurlijk is er in de eerste plaats het geld waarvan een nieuwe collectie gemaakt kan worden. Dat betekent niet alleen weer even werk en inkomen, maar ook veel aandacht en exposure. Je raakt bekend bij het grote publiek en loopt net wat zelfverzekerder bij een investeerder binnen. Zeker omdat bekendheid belangrijk is voor de verkoop, kan het winnen van een prijs de grote doorbraak betekenen.
Frans Molenaar: “Maar voor jonge ontwerpers is het ook belangrijk dat ze van ons netwerk gebruik mogen maken. Zo had een jongen een professionele naaimachine nodig, maar die was veel te duur. Als ik meega naar zo’n fabrikant, dan praten we er wel even zevenhonderd euro af. Daarnaast begeleiden we de kandidaten en geven we ze veel adviezen: fotografeer die mode nou niet op je zusje, maar neem een professionele fotograaf en een goed model. Het lijkt vanzelfsprekend, maar we helpen ze er echt verder mee.”
In de tijd van Frans Molenaar waren er geen prijzen, maar een grote investering betekende wel zijn eigen doorbraak: “Een vrouw die ik al kende investeerde 250 duizend gulden in me. Zonder dat geld had ik het niet gered. Het is de reden waarom ik nog altijd graag jongeren van nu ondersteun.”

Klimaat
Maar hoe is het klimaat nou eigenlijk voor jonge ontwerpers? Na een aantal moeilijkheden te hebben besproken, zijn de meningen hier gek genoeg een stuk minder eensluidend over.
Frans Molenaar: “Mode is hot. Kijk naar alle glossy’s in de boekhandel. Je denkt soms: wat staat er allemaal in? De media zijn veranderd en dat is goed voor jonge ontwerpers. Studenten die hun school nog niet hebben afgemaakt staan soms al in de bladen.”
Ook het publiek is jonge ontwerpers gunstig gestemd volgens Frans Molenaar: “Er komen steeds meer mensen die het geld kúnnen en wíllen uitgeven. Mensen zijn ook minder wereldvreemd geworden door de euro, dat is echt zo. En zelfs couture wordt meer geaccepteerd. Twintig jaar geleden was mijn naam nog een vies woord op de academies, dat is toch echt veranderd. Kijk, het klimaat is gunstig, maar couture blijft altijd ingewikkeld. Ik had het óók moeilijk. Christian Dior in het begin ook. Iedereen.”
Claes Iversen ziet dat gunstige klimaat terug in de interesse in mode: “De belangstelling wordt groter, je ziet het aan bedrijven die eerder geïnteresseerd zijn, de mogelijkheid om eerder leningen bij een bank te krijgen, maar ook aan het publiek. Kijk naar alle televisieprogramma’s: mode leeft. Ik hoop alleen dat het zich ook gaat uiten in een breder aanbod van ontwerpers aan de top. En ja, ik zie mezelf daar wel tussen staan.”
Sanne Schrijver ziet een duidelijke markt voor de high fashion: “Er zijn zo ontzettend veel rijke mensen in Nederland die kleding willen kopen. Omdat het goede en draagbare kleding is, kan ik het alleen niet voor twintig euro aanbieden. Maar die mensen begrijpen dat ook wel. Ze hebben oog voor schoonheid en kopen kleding vanwege de details, of gewoon omdat het van míj is. In Arnhem is sinds kort een nieuwe winkel die alleen maar Nederlandse ontwerpers verkoopt: Coming Soon, dat is toch prachtig!
Gek genoeg denkt Judith ter Haar, artdirector van de winkel, daar iets genuanceerder over. “Ik zie bij veel retailers toch een erg middelmatig smaakniveau. Wat er in de winkels hangt, ontstijgt zelden het maaiveld. Bovendien durven ze hun nek niet uit te steken om jonge ontwerpers een kans te geven. Jonge ontwerpers zijn een nichemarkt. Dat is niet erg, maar ze zouden best wat meer kans mogen krijgen.”
Coming Soon is daarop een van de weinige uitzonderingen, zelf hoopt Ter Haar dat de winkel de Colette van Nederland wordt. Jong (en minder jong) Nederlands talent krijgt er een kans. Volgens Ter Haar is het erg gunstig om in haar winkel te hangen: “Winkeliers in Nederland kennen mijn smaak wel, dus als ik een onbekende ontwerper heb hangen dan wordt het door hen ook eerder ‘goedgekeurd’.” Het kan de bekende springplank zijn.
Als ondergetekende de kleding van ontwerpster Marcha Hüskes noemt die in de Coming Soon hangt, wordt Ter Haar zelfs bijna emotioneel: “Wat ben ik ontzettend blij dat je haar talent ziet. Ze is een grote liefde van me, maar ze wordt echt miskend. Ze verkoopt moeilijk omdat ze gewoon niet zo’n makkelijke babbel heeft, maar het is prachtige kleding die ze maakt. Voor mij is ze een echte belofte. Ik hoop echt dat ze, doordat ze hier hangt, ook door andere winkels zal worden ingekocht.”
Ondanks het middelmatige smaakniveau van winkeliers en de terughoudendheid van consumenten, ziet ook ter Haar wel de vooruitgang: “Het is niet alleen de voorspoedige economie waar we in zitten. Vroeger hadden mensen hun begonia’s in plastic bakjes, nu heeft iedereen terracotta aardewerk. Dat gaat niet meer weg, we ontwikkelen ons als smaakland. En wat betreft de mode: we worden ons er steeds bewuster van dat de kleding die we dragen, echt iets over ons zegt. En het is mogelijk, dat we ooit als modeland groot worden. Ann Demeulemeester zei laatst tegen me dat België voor de Zes van Antwerpen ook niets qua mode was. Het kan dus verkeren. En internationaal staat Nederland goed aangeschreven. In Milaan gaan deuren sinds kort echt voor je open als je zegt dat je uit Nederlands komt.