Menu  

Journalist

tel: 06-24155729

 

Dit essay is de derde in een reeks voor mijn afstuderen. Het gehele werk ging over de opbrengsten van de jaren zestig op drie gebieden. Voor mijn gehele afstudeerwerk stuurt u me een e-mail.

L'état, c’est nous

Macht corrumpeert. De Franse filosoof Charles Montesquieu wist dat in zijn boek De l'esprit des lois zo overtuigend op te schrijven, dat we sindsdien de macht altijd eerlijk verdelen. Liefst in drieën. Maar hij had geen rekening gehouden met de democratiseringsgolf van de jaren zestig in de twintigste eeuw. De burger heeft het voor het zeggen. En ook die macht corrumpeert. Wat nu?

De gewone man is aan de macht. Beslissingen worden genomen van onderop, we zijn allergisch geworden voor autoriteit. Toch? Drie voorbeelden:
1. Fans van de Engelse voetbalclub Ebbsfleet United hebben via internet hun club opgekocht. Met andere woorden: zij zijn de baas. Dagelijks ontvangt de coach e-mails met adviezen wie hij tijdens de wedstrijd moet opstellen en hoe hij moet trainen. Ook met het aankoopbeleid bemoeien de fans zich, alleen tijdens wedstrijden is de coach zelf de baas.
2. In oktober 2005 kwam de Taalunie met een nieuwe versie van het Groene Boekje. Mooi niet dus. Het Genootschap Onze Taal vond dat je zoiets ingrijpends niet meer van bovenaf oplegt en kwam met een eigen versie: het Witte Boekje. De verschillen zijn klein, het oproer exemplarisch voor deze tijd.
3. In juni 2007 trad de Oosterbeekse Esmée Denters in een video samen op met tieneridool Justin Timberlake. Hij had haar gezien op YouTube, een site waar dagelijks zeventigduizend mensen een eigen filmpje neerzetten. Denters werd een ster zonder tussenkomst van managers, platenbonzen, uitgevers of welke andere ‘poortwachter’ dan ook. Het publiek besloot dat ze kon zingen en Timberlake besloot haar te bellen.

Is dat goed? Ja, natuurlijk. Ik gun de fans hun eigen club, Onze Taal een eigen spelling en Esmée Denters een mooi platencontract. Het oude regentendom is verdwenen en het is een groot goed dat de gewone man en vrouw mee mogen praten over wat hen aangaat. De burger is aan de macht. En hoewel de negatieve effecten ook zichtbaar worden, is het goed om eens te kijken naar de ontstaansgeschiedenis van die democratisering.
Want hoewel we sinds 1800 al een zekere mate van democratie hadden, en hoewel Nederlanders van nature al iets antiautoritairs hebben (en Amsterdammers qua niet-luisteren van de allerergste soort zijn), was Nederland tot in de jaren zestig een braaf en vrij hiërarchisch ingesteld land om te wonen. Dat lijkt een tegenstelling, maar zolang Nederlanders het gevoel hebben dat hun vrijheid niet teveel wordt ingeperkt, gehoorzamen ze braaf het gezag. En wat betreft die vrijheid: eens in de vier jaar mocht je in het stembureau een hokje rood kleuren, verder moest je je mond houden. Tot 1961.

Ugge, Ugge, Ugge
In dat jaar vond een Amsterdamse glazenwasser het allemaal genoeg, kwam van zijn ladder van het Hirschgebouw af en zette een reeks gebeurtenissen in gang die Nederland onherkenbaar veranderde. Robert Jasper Grootveld was rookverslaafd en stelde met wat vetkrijtjes de industrie daarvoor verantwoordelijk. Telkens als hij langs een rookreclame liep, schreef hij er het woord kanker op. Daarna organiseerde hij anti-rookhappenings, eerst in een garage, later bij het beroemde Lieverdje op het Spui. Omdat het beeldje geschonken was door een sigarettenfabrikant aan de gemeente Amsterdam, was het een prachtig doelwit voor de anti-rookdemonstraties. Elke zaterdagavond om twaalf uur kwam hij geschminkt naar buiten en ging met zijn Ugge, Ugge, Ugge voor in het anti-rooklied.
Het was deels gericht tegen de nicotine en ‘de verslaafde consument van morgen’, maar het voornaamste doelwit was het gezag, want het viel de anti-rookmagiër, zoals hij vanaf toen genoemd werd, op dat de politie druk bezig was de handel in marihuanasigaretten op te rollen, terwijl aan de pui van het Bureau Leidseplein een neonreclame zat voor nicotine. Terwijl de marihuanahandelaar van zijn bed werd gelicht en in de cel gestopt, waren de nicotinefabrikanten en –handelaren geachte leden van de samenleving.
Sprekend met de kennis van nu, kun je zeggen dat het de eerste keer was dat iemand openlijk in opstand kwam tegen het gezag en de regentenmentaliteit van de Nederlandse samenleving en daarbij zoveel steun van omstanders kreeg. Dat die regenten dat niet pikten, bleek uit het feit dat ze Grootveld keer op keer oppakten en later de samenkomsten bij het Lieverdje met grof geweld uit elkaar sloegen.

Stoelpoten van het gezag
Er werd iets in gang gezet. Steeds minder mensen wilden voor zoete koek aannemen wat de intellectuele en bestuurlijke elite hen vertelde. Waar het woord regent in de VOC-tijd nog verwees naar een dapper en nobel mens, daar werd in de jaren zestig vooral een autoritair persoon bedoeld die geen inspraak duldt en samen met zijn vriendjes de mooie baantjes verdeelt. Schrijver Harry Mulisch heeft het in Bericht aan de rattenkoning over het anachronisme van een sociaal fossiel: “De regentenmentaliteit doordringt het hele Nederlandse leven, zoals de stank van een smeulende asbak het hele huis. Zij is een erfenis van de Nederlandse geschiedenis, zoals Stalins schrikbewind een erfenis was van de Russische.”
En plotseling werd er aan meerdere stoelpoten van het gezag tegelijk gezaagd. Een klein zijstapje is daarvoor van belang. Op 2 oktober 1951 vond in Nederland de eerste televisie-uitzending plaats. Op dat moment bediende Hilversum nog maar een klein publiek, maar vanaf begin jaren zestig groeit het aantal kijkers snel. Het zorgt voor de gelijkschakeling van Nederland. Er is één zender en iedereen ziet alles waardoor langzaamaan de schotten van de verzuiling verdwijnen. Vanaf begin jaren zestig worden de uitzendingen door VARA en VPRO gebruikt voor satire waarbij juist de elite het hard te verduren krijgt. Befaamd is het programma Zo is het toevallig ook nog eens een keer waarin maatschappijkritiek wordt geleverd en het vroeger zo onaantastbare gezag continu belachelijk gemaakt. Tijdens de derde aflevering leest Peter Lohr een televisiegebed voor: “Gij zult geen ander tijdverdrijf kennen dan het kijkbedrijf, gij zult geen andere afgodsbeelden maken dan de beelden van het beeld, gij zult niet naar uwen naasten kijken gelijk uwe naaste niet kijkt naar u, maar bovenal: gij zult de knop geenszins omdraaien, want dit is het beeld een gruwel. Geef ons heden ons dagelijks programma. Wees met ons, o beeld, want we weten niet wat we zonder u zouden moeten doen.” Boze brieven, Kamervragen en hoofdredactionele commentaren met de woorden blasfemie en vuiligheid: missie geslaagd.

Provo en het koningshuis
De opperste regent der regenten was natuurlijk het staatshoofd: koningin Juliana. En laat zij nou net een dochter hebben die in de zomer van 1965 betrapt werd met een Duitse jongeman aan haar arm. Maatschappelijk rumoer heeft sinds Romeo en Julia nooit meer echte liefde in de weg gestaan, maar het huwelijk op 10 maart 1966 kwam er niet zomaar. De kiem van de protesten –en natuurlijk de rookbommetjes die de hele wereld overgingen- lag in het Amsterdam van juni 1965.
Op dat moment werd namelijk Provo opgericht, een groep artistiekelingen en intellectuelen die tegen de maatschappij schopten. In het eerste nummer van het gelijknamige orgaan stelt Roel van Duyn dat het blad iets heeft tegen “kapitalisten, kommunisten, fascisme, burokratie, militarisme, snobisme, professionalisme, dogmatisme en autoritarisme.” Ze voelt zich voor de keus geteld van desperaat protest of lijdzame ondergang. “Provo roept op tot verzet waar het maar kan. Provo ziet in dat het de uiteindelijke verliezer zal zijn, maar de kans deze maatschappij althans nog eenmaal hartgrondig te provoceren wil het zich niet laten ontgaan.”
Provo was een ideeënbom die streed tegen de bekrompenheid van de maatschappij. Gemiddeld een op de duizend ideeën werd uitgevoerd, maar het ging om het idee! Provo bedacht talloze witte plannen die als alternatief dienden voor het verrotte beleid. Soms verscheen er een recept voor dynamiet, maar vaker gebruikte men flinke humor om de zaak over het voetlicht te brengen. Een opsomming van alle mediagenieke acties kunnen anderen veel beter geven dan ik, waar het in dit verband om gaat is het antiautoritaire en democratische karakter van Provo.
En daarmee zijn we weer terug bij Beatrix en Claus. Want men misgunde de prinses het persoonlijke geluk niet, het was het instituut waar ze voor stond dat boosheid opriep. Ze mocht dus wel trouwen, maar de troon ging velen te ver. In Provo verscheen een artikel met de tekst: “Natuurlijk hebben we genoeg van J&B en B&C; we zijn de enigen niet. Het bijzondere van ons is dat we ook genoeg hebben van elke monarchie, van elke republiek, van elke staatsvorm dan ook, van elke regering, van elke autoriteit.” Provo’s beschouwden het aanstaande huwelijk als een prachtige gelegenheid om flink af te geven op de monarchie, een instituut dat stamt uit een tijd dat men de Koning nog zag als plaatsvervanger van God op aarde. Maar het was ook een gelegenheid om zich te verzetten tegen de autoriteiten in het algemeen. Een deel van de woede werd bovendien veroorzaakt door het feit dat Claus een Duitser was. Harry Mulisch, toch niet de grootste populist, schreef: “…en midden in deze verheugende politieke bedrijvigheid gaf de troonopvolgster te kennen, dat zij als eerste Oranje wenste te trouwen in de stad vanwaar zestigduizend Nederlandse joden richting gaskamer en Endlösung waren abtransportiert door de efficiënte samenwerking van twee bezitters van Duitse paspoorten: Lages en Eichmann.
In eerste instantie kalkte men op muren de spreuk Ein Claus, Ein reich, daarna verscheen het iets onsympathiekere Clauschwitz en tijdens het huwelijk zelf werd “Oranje boven, leve de republiek” gezongen. Al maanden gonsde het van de geruchten over plannen voor ongeregeldheden tijdens het huwelijk, waarvan die van de leeuwenmest wel het meest Provowaardig was. Men had gehoord dat alle paarden, dus ook die van de gouden koets, altijd op hol slaan bij het ruiken van leeuwenmest. Eén republikeinse oppasser bij Artis zou genoeg zijn voor een dag vol plezier en protest. Uiteindelijk bleef het bij een rookbom die niet veel fysieke, maar wel veel publicitaire schade aanrichtte.
Ze hadden veel humor, die Provo’s, maar er zat ook een serieuze component aan, vaak verwoord door de intellectuele leider Roel van Duyn. In het boekje Het Witte Gevaar dat uitkomt in 1967 verwoordt hij de ideeën van Provo. En daarbij wijst hij al duidelijk op het anarchistische karakter. Niet anarchistisch in de zin van chaos en terreur, wel in de zin van niet-heersen en niet-overheersd-worden, bestuur van onderop in plaats van bovenaf. Anarchisme als ultieme leefvorm van vrijheid.
Zo legt Van Duyn verbanden met theoretici als Marx (“voor de keuze gesteld kiest de anarchist voor vrijheid -daarmee verscheidenheid-, de marxist voor gelijkheid –daarmee eenheid-“) en Bakoenin (“afbreken is ook opbouwen”). Toch komt de duidelijkste inspiratie van Ferdinand Domela Nieuwenhuis, de grondlegger van het Nederlandse anarchisme. Die schrijft in 1909 nog dat de kerk en de staat de menselijke beschaving het meest hebben tegengehouden: “De kerk die voorschrijft en gebiedt wat den mensch denken moet. De staat die voorschrijft en gebiedt wat den mensch doen moet. Beiden maken den mensch tot een onzelfstandig naprater en nadoener, want wie zelfstandig wil denken, is in de oogen der kerk een ketter en wie zelfstandig wil handelen, is in de oogen van den staat een oproerling.” En op een ander moment: “Het eenige recht dat voor den anarchist bestaat, is dat hij zijn eigen zaken regelt en bestuurt, zooals het hem het beste voorkomt en dat hij datzelfde recht, wat hij voor zichzelven eischt, ook toekent aan elk ander. Wie een ander voorschrijft zich aan een wet te onderwerpen, die is een tiran, die is een vijand van de vrijheid van anderen.”
In zijn boek noemt Roel van Duyn vele verschillen. Zo zou Provo meer een club van doeners dan van praters zijn, maar hoe meer kleine en externe verschillen hij noemt, hoe duidelijker het wordt dat Provo in de basis sterk is geïnspireerd door het anarchisme.
Een van de grootste problemen waar men bij het bereiken van die vrije samenleving op stuitte, was het ‘klootjesvolk’ van taptoelezers dat zich wentelde in nieuwe welvaart en eens in de vier jaar op Boer Koekoek van de Boerenpartij stemde. Uit Provo: “De gemiddelde mens is een grijze onproduktieve, onkreatieve, onorzjinele, stompzinnige, onkritiese, emootsjioneel reagerende sjokkende spruitjeseter die zich maar al te graag vervoegt aan loket 8.” Blij met de vrije zaterdag en het ouderdomspensioen, wilde men zich niet meer inzetten voor de échte vrijheid.
Provo was voor de totale vrijheid en daarmee tegen twee dingen, verwoord in één gedachte: “Provo (...) poogt het Nederland van nu een democratiese injektie te geven. Het besef dat wij als kleine, de gezapigheid verstorende pressuregroup vooralsnog meer verzet zullen oproepen dan positief effekt sorteren, vermag ons niet terneer te slaan. Provo zal zich nooit een Panorama-populariteit verwerven, al was het alleen maar omdat het niet in kleurendruk verschijnt. Als horzel van de autoriteiten, als kwaad geweten van het klootjesvolk, is Provo per definitie onpopulair.”
Had het effect? 1966 werd een rampjaar voor het Nederlandse gezag. Dat liet zich door Provo continu provoceren om nodeloos veel en hard geweld te gebruiken. Steeds meer Nederlanders zagen de onsympathieke kant van de macht in, of, om nog eens met Mulisch te spreken, de politie gaf tijdens de straatgevechten “van minuut tot minuut (…) nieuwe provo’s de ridderslag”. In juni 1966 braken er rellen uit waarbij zelfs een dode viel. Uiteindelijk bond het gezag in.

Studenten in opstand
Men wist, zoals Duco van Weerlee (ook Provo) schreef, dat die nieuwe en vrije samenleving niet gehaald werd ‘vóór de nieuwe aardappeltjes.’ En dat klopte. Maar de geest was wel uit de fles. Een vrije samenleving zoals het anarchisme voorstond ging velen inderdaad te ver, maar waar het om ging was het volgende: laat je je door anderen vertellen wat je moet doen, of wil je op zijn minst zelf een stem hebben in wat je doet of wat jou direct en indirect aangaat?
Dat laatste was in elk geval de wens van studenten aan verschillende hogescholen en universiteiten. En waar de regentenmentaliteit en het gezag gebroken waren in het Amsterdam van 1965 en 1966, daar had niet de hoofdstad maar het perifere Tilburg de eer om als eerste democratisering in het onderwijs te eisen. Op 28 april 1969 bezetten studenten daar de werkkamer van de rector omdat die de ‘Nota van 21’ had afgewezen. Dat was een voorstel van vier hoogleraren, vijf medewerkers en twaalf studenten om het onderwijs te democratiseren. De Karl Marx-Universiteit, zoals die toen even genoemd werd, ging al snel door de knieën en bovendien volledig akkoord met medezeggenschap in alle geledingen van het bestuur. De reden van de snelle ‘capitulatie’ ligt in de afschrikwekkende voorbeelden van juni ’66 (zoals hierboven beschreven) en mei ’68. In mei 1968 brak in Parijs een volksoproer uit waarbij studenten en arbeiders schouder-aan-schouder bloedige gevechten leverden met de autoritaire ordetroepen van Charles De Gaulle. En hoewel de situaties niet te vergelijken waren, koos men in Tilburg maar eieren voor zijn geld.
Ongeveer hetzelfde procédé voltrok zich in Amsterdam: studenten eisen medezeggenschap, de rector noemt dat een ‘loze kreet’ en studenten bezetten het Maagdenhuis. Het verschil is dat men er in Amsterdam niet uitkomt met onderhandelen en het Maagdenhuis na enkele dagen wordt ontruimd. Toch wordt de luide roep om democratisering wel degelijk gehoord, want minister Veringa komt een jaar later met een nieuwe wet die inspraak in onderwijsinstellingen regelt.
De Maagdenhuisbezetting staat anno 2007 garant voor mooie en romantische verhalen over de Ho-Chi-Minh-luchtbrug en Radio De Vrije Maagd, maar het is duidelijk dat het de eerste keer was dat er in Nederland zo rechtsreeks inspraak werd geëist. Daarna werd de Nederlandse taal definitief verrijkt met woorden als medezeggenschap, inspraak, overlegcomité, arbeidersraden, krieties en gebundelde decentralisatie. De tijd was er ook wel rijp voor. De lucht leek eind jaren zestig zwanger van de roep om democratie. De generatie babyboomers had weer eens toegeslagen.

Bedroevend staatsbestel
Het behoeft geen verwondering dat er ook mensen waren die het systeem van binnenuit wilden veranderen. Hans van Mierlo werkte begin jaren zestig op de redactie van het Algemeen Handelsblad en meende dat de radicalisering in die tijd zich niet voltrok “op grond van inhoudelijke argumenten maar een uiting was van ongenoegen”. Hij zocht en vond geestverwanten en even later werd D’66 geboren. De verklaring die de partij voor dat ongenoegen gaf was tweeërlei: enerzijds was er in de samenleving nog teveel sprake van ‘gezag’ (een fenomeen dat ze wel begrepen vanuit het belang van de regenten, maar niet vanuit de kant van ‘het hen omringende voetvolk’), anderzijds uit de slecht werkende democratie. In het Appèl dat verscheen bij oprichting in 1966, schrijft men: “Wij zijn van mening dat ons staatsbestel bedroevend functioneert. Het politieke spel moet nog steeds worden gespeeld volgens regels die dateren uit de vorige eeuw. Die regels zijn in de jaren na 1848 opgesteld voor een maatschappij die niet te vergelijken is met de onze. De turbulente ontwikkelingen sinds 1900 hebben onze samenleving immers ingrijpend veranderd.”
De partij komt met een flinke hoeveelheid voorstellen om de band tussen kiezer en gekozene zo klein mogelijk te maken. De gekozen minister-president en burgemeester, invoering van het districtenstelsel en decentralisatie van bestuur zijn de bekendste, maar zeker niet de enige mogelijke verbeteringen. Volgens medeoprichter Hans Gruijters moet ook de monarchie op de helling. Met een onschendbare koning aan het hoofd, is de staatkundige inrichting namelijk het beste te typeren als door volksinvloed getemperde autocratie, zo schrijft hij in zijn boek Daarom D’66. De uiteindelijke resultaten van de partij zijn wisselend. In 1967 zorgde het, weliswaar samen met de Boerenpartij, voor een politieke aardverschuiving door met zeven zetels in het parlement te komen. Daarna schommelde het wat tussen vierentwintig in 1994 en drie in 2006. En inhoudelijk gezien wordt er wat geëxperimenteerd met de gekozen burgemeester, maar de andere kroonjuwelen hebben het daglicht na veertig jaar nog altijd niet mogen zien.

Over Charles Montesquieu
Zo bezien werd het gezag in de jaren zestig eerst getart, toen gebroken en vervolgens werd er onderhandeld over een egalitaire samenleving. Het resultaat van de jaren zestig is verstrekkend. De burger is aan de macht. Politici en bedrijfsleven maken overuren om de burger te plezieren en maar zo veel mogelijk contact met hem te maken en naar zijn meningen en wensen te luisteren.
Een kleine selectie uit aanwijzingen daartoe: de grondwet wordt al jaren in gewone-mensentaal uitgegeven, dagelijks worden de politieke dagkoersen van verschillende thema’s bijgehouden met als belangrijkste vraag: wat vindt de burger?, Op het journaal komt er geen item meer voorbij zonder een voxpopje (stem van de straat), de gunst van de burger is zo belangrijk geworden dat er tegenwoordig maar liefst acht voorlichters tegenover één journalist staan, er wordt met regelmaat een Affordable Art Fair gehouden omdat iederéén kunst aan de muur moet hebben kunnen hangen, en op televisie gold al in de jaren negentig dat als mensen bloemkolen willen zien, ze die met alle liefde kunnen krijgen. De grootste winst valt te halen bij de middenklasse, zo wisten EasyJet en Pim Fortuyn al jaren geleden.
Kortom, we kunnen onderhand spreken over de volledige en ongedeelde macht van de burger. Maar waar hebben we die term ook al weer eerder gehoord? Precies, in het beroemde boek Over de geest der wetten (“De l’esprit des lois”) van de filosoof Charles Montesquieu. De Fransman had in zijn jeugd nog de absolutistische machtswellusteling Lodewijk XIV meegemaakt. Terwijl zijn volk crepeerde, richtte de Zonnekoning grootse feesten aan in Versailles en voerde hij bloedige oorlogen. Van Lodewijk waren de woorden: L’etat, c’est moi: de staat, dat ben ik. Montesquieu vond het dwaas dat Lodewijk zich beschouwde als de verpersoonlijkte staat. Het leek hem een lastering tegen de hele mensheid. Vele jaren later, Lodewijk XV zat inmiddels op de troon, kwam Montesquieu met zijn beroemde theorie van de trias politica. Macht corrumpeert, zegt hij daarin, en bij ongedeelde macht is dit gevaar onvermijdelijk. Splitsing is noodzakelijk zodat de machten elkaar in een goede balans op de evenwichtsbalk kunnen houden. Of, in zijn eigen woorden: “Alles zou verloren zijn als dezelfde man, of dezelfde groep van vooraanstaanden, van edellieden, van mensen uit het volk, de drie machten tegelijk zou uitoefenen: de macht om wetten te maken, die om staatsbesluiten uit te voeren, en die om over misdaden of over geschillen tussen burgers recht te spreken.”
De afgelopen jaren is de macht sterk bij de burger komen te liggen. Niet l’etat, c’est moi, maar l'état, c’est nous! Bij Montesquieu zagen we al dat macht altijd corrumpeert wanneer het ongedeeld in handen van één persoon (of in een zeer selecte groep) terechtkomt. En dus is het de vraag of, nu de burger zich alle macht heeft toegeëigend, ook die corrumpeert. Het antwoord daarop is ja, en de belangrijkste aanwijzing voor dat bederf is het onbeteugelde consumentisme van mensen. Het grootste verwijt dat dit volk te maken valt, is dat het zich teveel opstelt als consument en niet meer als burger. Het verschil is duidelijk: een consument neemt vooral van de maatschappij, alles is gericht op zijn behoeftebevrediging, een burger daarentegen geeft ook nog iets terug. We zijn een luie samenleving geworden waarin mensen niet verder kijken dan hun eigen belang en waar intellectuele inspanning, idealisme en nuances verdacht zijn.

Eigenbelang of burgerdom
Een burger (burgerdom, niet te verwarren met burgerlijkheid) kijkt dus verder dan zijn eigen, directe belang. Hij voelt zich verantwoordelijk voor de buitenwereld, al was het alleen maar omdat hij daar uiteindelijk zelf ook weer profijt uit trekt. Piet Hein Donner verwoordde dat mooi toen hij het over Europa had. Volgens hem zijn maar weinig mensen te porren voor het project. Hij trok daarop de vergelijking met een winkelier die “iedere bijdrage aan de winkeliersvereniging verantwoord wil zien door de meerwaarde voor zijn winkel, en niet ziet dat zijn zaak allang failliet zou zijn zonder de aantrekkingskracht van de hele straat”.
Een goede burger is ook in staat om abstract te denken, niet vanuit de eerste emoties, maar op basis van rationaliteit. Het is verbijsterend hoe vaak men de rechtsstaat moet verdedigen tegenover mensen die menen dat ‘het een schande is’. Als er één tbs’er in de fout gaat, moet het hele stelsel direct afgeschaft worden, ondanks dat men over de hele wereld met afgunst kijkt naar ons systeem. En als een verdachte vrijkomt op basis van een vormfout, dan deugt het ook allemaal niet meer. Mensen willen direct hun behoefte bevredigd hebben en zien niet meer dat die rechtsstaat er óók voor hen is. Ja, er zitten nadelen aan, maar het alternatief is een absolute dictatuur. Dat abstracte denken kan ook inhouden dat je het collectief belang af en toe boven het eigen belang plaatst. Het Not In My Backyard-principe is al te vaak richtinggevend.
De praktijk is helaas tegenovergesteld, het merendeel van de mensen is geen burger maar consument. Want wat de jaren zestig van de vorige eeuw ons gebracht hebben, is een haast onbegrensde vrijheid met het daaraan gekoppelde individualisme. Alleen de bijsluiter is zoekgeraakt, het papiertje met daarop de instructies hoe we die vrijheid en individualisme precies moeten gebruiken.
Dat ongebreidelde consumentisme is enerzijds heel letterlijk te nemen. Zo is er de Amerikaanse schrijver Benjamin Barber die zegt dat de samenleving infantiliseert onder druk van allerlei marketingtypes die ons een levenlang laten shoppen. Mensen ontlenen identiteit aan de plaats waar ze winkelen, de mate waarin ze winkelen en de producten die ze kopen, terwijl er nog zoveel andere manieren zijn om identiteit te verkrijgen. Er zijn zelfs woorden voor hen die voor altijd in hun kinderfase blijven hangen omdat ze maar blijven consumeren: kidults (Engeland), Nesthocker (Duitsland), mammoni (Italië), puériculture (Frankrijk) et cetera. Tot zover het daadwerkelijke consumeren, een ander voorbeeld geeft een wat ruimere opvatting van consumentisme. In Houston trekt predikant Joel Osteen volle kerken met zijn ‘suikerspinevangelie’. Geen bloedend kruis aan de wand, maar een reusachtige disco-wereldbol staat er middenin zijn kerk. Hij praat niet over zonden, maar over kansen om het morgen beter te doen. Osteen geeft mensen een goed gevoel zonder dat ze zelf over dingen na hoeven te denken. Een Amerikaanse professor zegt: “Als het muziek zou zijn, zou je het easy listening noemen. Hij gebruikt de Bijbel als een gelukskoekje: morgen wacht je een meevaller. Maar zo is de Bijbel niet bedoeld.” Moeten we dan terug naar de kerk van de Middeleeuwen? Nee hoor, maar een beetje meer moeite doen mag best. En dezelfde consumentistische passiviteit zien we als het gaat om politiek. “Ik ben het er niet mee eens, want de politiek legt het me niet goed uit”, valt dan te horen. Die mensen beseffen niet dat ze zelf ook wat actieve moeite zouden kunnen doen om het te begrijpen.
Waar het de meeste consumenten om draait is de eigen portemonnee. Dat is goed terug te zien bij het alomtegenwoordige begrip vertrouwen. Al sinds jaar en dag meten deskundigen het ´consumentenvertrouwen´. Dat is niets meer of minder dan de hoeveelheid reële bestedingen in verschillende sectoren. Als er weinig auto´s worden verkocht is er weinig vertrouwen, omdat, andersom geredeneerd, je zo´n dure aanschaf wel een halfjaar uitstelt als je niet zeker weet hoe de financiële bloemetjes er de komende tijd bijstaan. Sinds een tijdje wordt het begrip ook gebruikt voor politieke doeleinden. “Ik heb geen vertrouwen meer in de politiek”, hoor je dan zeggen. Dat veronderstelt een zekere emotie, maar waar het werkelijk om gaat is de eigen portemonnee. Gaat het goed met de economie, dan hebben we vertrouwen in de maatschappij. Nou is de koopman hier altijd belangrijker geweest dan de dominee, maar toch, een iets breder blikveld zou niet misstaan.
Het consumentisme heeft geleid tot zelfzuchtigheid en vervlakking. Tien procent van de samenleving is chronisch ontevreden: welk beleid er ook gevoerd wordt, nooit is het goed. Overigens hoeft dit geen verbazing voor mensen die af en toe naar Stand.nl luisteren, het programma waar de onderbuik van de samenleving een half uur radiozendtijd per dag krijgt.

Noblesse oblige
De burger heeft de macht gegrepen. Hij heeft de volledige vrijheid genomen maar heeft onvoldoende door dat daar ook een verantwoordelijkheid aan vast zit. En juist het ontkennen daarvan is de oorzaak van verschillende problemen. Een daarvan is de veelbesproken kloof tussen politiek en burger. Volgens verschillende groepen zouden de problemen opgelost worden door meer directe democratie in te voeren (referenda, burgemeesterverkiezingen) en de politiek meer naar de mensen te laten luisteren. Maar dat is maar zeer de vraag. Politiek gaat over zulke complexe aangelegenheden, dat daar specialisten voor nodig zijn. Pessimisten zullen zeggen dat er dan maar bar weinig overblijft van de jaren zestig. Maar dat is schijn: de volledige vrijheid van de burger zal altijd blijven bestaan. Al moet hij zich wel gaan realiseren dat er een zekere verantwoordelijkheid tegenover staat.
De elite moet burgers niet achterna duikelen in de race-to-the-bottom, de burger moet naar boven. Niet alleen Harry Potter lezen, maar de krant: dat vergroot de kennis en doet onverschilligheid, onbegrip en afkeer verdwijnen. Dan is er weer ruimte voor nuances en subtiliteit, waardoor we niet achter louche volksmenners hoeven aan te lopen. Dan zien we weer dat een in zijn voegen krakende democratie (bijvoorbeeld bij de oprichting van de pedopartij), geen schande is, maar net zo gezond als een in zijn voegen krakende ijsvloer in hartje winter.
Er wordt veel gemekkerd over het Nieuwe Moralisme. Politici zouden burgers weer gewoon moeten representeren in plaats van op te voeden (we zijn immers oud en wijs genoeg om dingen zelf te beslissen). Maar als de intellectuele elite het volk niet weet te inspireren om weer wat burgerzin te tonen, is er straks echt sprake van de “onproduktieve, onkreatieve, onorzjinele, stompzinnige, onkritiese, emootsjioneel reagerende sjokkende spruitjeseter die zich maar al te graag vervoegt aan loket 8”.
En dat moeten we met alle macht voorkomen. Na de heftige democratiseringsgolf van de jaren zestig mag je het eigenlijk niet zeggen, maar noblesse oblige. Adel verplicht.