‘Holdingtherapie vorm van volksverlakkerij’
Veel hechtingstherapieën blijken onvoldoende wetenschappelijk onderbouwd
Waarom hecht het ene adoptiekind wel goed aan de nieuwe ouder terwijl het andere hechtingsproblemen ontwikkelt? En wat kan daar aan gedaan worden? De wetenschap heeft nog maar weinig antwoorden; ouders gaan daarom steeds vaker zelf op zoek naar hechtingstherapieën. Hoogleraar gezinspedagogiek Rien van IJzendoorn is gespecialiseerd in de gehechtheidstheorie en heeft een duidelijke mening over de wildgroei aan therapieën.
Waaraan herken je een kind dat echt goed gehecht is?
“Dat is moeilijk te zien, bovendien hangt het af van de leeftijd. Een kind dat na een kortdurende stressvolle situatie, bijvoorbeeld als de ouder even uit de kamer weggaat, die ouder graag opzoekt, zich makkelijk laat troosten en daarna weer doorgaat met het verkennen van de omgeving, is goed gehecht. Je zou gehechtheid als een continuüm kunnen voorstellen waarbij een goede, veilige gehechtheid in het midden zit. Aan het ene uiteinde is er de vermijdende gehechtheid: wanneer het kind schijnbaar geen interesse heeft in de ouders en vooral met de omgeving bezig is. Het kan de ervaring hebben dat het toch geen troost vindt bij de ouder. Aan het andere uiteinde is er ambivalente gehechtheid: wanneer een kind zich vastklampt aan de ouder en gefixeerd is op die bron van veiligheid. Als een kind dat voor het eerst naar de crèche gaat huilt is dat volkomen begrijpelijk. Het veilige gehechte kind laat zijn emoties zien, juist om getroost te kunnen worden.
Lang niet alle adoptiekinderen hebben problemen met gehechtheid. Integendeel, de meesten bouwen een prima relatie met hun adoptie-ouders op. In hoeverre adoptiekinderen te maken krijgen met gehechtheidsproblemen, hangt af van de adoptieleeftijd en de voorgeschiedenis. Kinderen die in hun eerste levensjaar geadopteerd worden, doen het over het algemeen erg goed. Maar kinderen die verwaarloosd werden in Roemeense kindertehuizen onder het bewind van Ceauşescu, hebben wel vaker dan gemiddeld gehechtheidsproblemen. Over het algemeen duurt het een aantal maanden voordat kinderen zich kunnen hechten aan hun adoptieouders. Ouders en kinderen spreken een andere (non-verbale) taal en moeten elkaars signalen leren begrijpen. Die inhaalgroei heeft tijd nodig, maar het merendeel ontwikkelt zich verbazingwekkend evenwichtig.”
Vallen hechtingsproblemen dan wel te onderscheiden van normale ontwikkeling?
“Problemen met gehechtheid zijn lastig te onderkennen. Met name ouders zijn slechte waarnemers gebleken van de gehechtheid met hun kind. Dat hebben diverse studies uitgewezen. Om vertekeningen te vermijden, kan beter een belangenloze en getrainde observator ingeschakeld worden. Die blijkt een betere inschatting van hechtingsproblemen te kunnen geven, maar is nog altijd niet honderd procent zeker van zijn zaak waar het gaat om individuele kinderen. We doen als onderzoekers dan ook nooit uitspraken over individuele kinderen, maar alleen maar over groepen.
Het klinkt gek, maar gehechtheidsproblemen kunnen we nog steeds niet goed diagnosticeren, met voldoende zekerheid voor een individuele casus. Maar dat hoeft ook niet, want adequate behandelingen zijn er ook nog nauwelijks, en wat heb je aan een diagnose zonder indicatie voor behandeling?”
Toch zijn ouders op zoek naar therapieën, vooral de holdingtherapie is in opmars.
“Daar ben ik niet blij mee. Het is een gevaarlijke therapie gebleken die grote risico’s met zich meebrengt. Bij holdingtherapie worden kinderen gedwongen om lichamelijk contact te maken met hun ouders ook al zijn ze daar nog helemaal niet aan toe. Daardoor zou er een goede gehechtheid ontstaan tussen ouder en kind. Maar het is pure volksverlakkerij.
Eigenlijk staat het haaks op de gehechtheidstheorie. Wat je in feite doet is de ouder stimuleren bijzonder insensitief op te treden. De ouder leert niet te luisteren naar de signalen die het kind uitzendt, maar volhardt in het eigen vasthouden ook al stribbelt het kind nadrukkelijk tegen. Sensitief zijn betekent dat je signalen van angst en spanning bij het kind signaleert en daar tijdig en adequaat op reageert, maar daar is hier geen sprake van. Het is een absurd idee dat je met fysieke dwang iets kan bereiken. Zonder medewerking van een cliënt bereik je in het algemeen niets, zo is gebleken uit onderzoek naar dwangverpleging in de psychiatrie. Eerlijk gezegd vind ik het eigenaardig hoe mensen op het idee komen om zo’n therapie aan een wetenschappelijke theorie te koppelen die precies het tegenovergestelde nastreeft.
In de Verenigde Staten zijn er ook kinderen lichamelijk beschadigd en zelfs overleden door deze holdingtherapie. Ze werden gewikkeld in dekens omdat ze niet meer in de armen van de ouder waren vast te houden.
Daarnaast bestaat er geen enkel empirisch bewijs over de werking van de therapie zoals een panel van experts onlangs vaststelde in het tijdschrift Child Maltreatment. Naast deze therapie worden er ook nog anderen toegepast. Sommige benaderingen zijn gebaseerd op grote onderzoeksprojecten uit het buitenland, zoals STEEP en Wait, Watch, and Wonder. Dat zijn brede preventieve interventies die niet alleen op sensitiviteit maar op brede ondersteuning van de ouder (zoals hulp bij werkzoeken) zijn gericht. Maar die weinig toegespitste interventies blijken volgens onderzoek veel minder effectief dan de gedragsgerichte interventies. Wie op internet zoekt, vindt ook nog wel allerlei andere vage therapieën, maar ook daarvoor geldt dat ze onvoldoende onderzocht zijn op effectiviteit. Mijn advies is dus ook: begin daar gewoon niet aan.
Weliswaar zijn er in het buitenland hoopvolle ontwikkelingen rondom diagnostiek en behandeling, maar het kan nog enige tijd duren voordat praktisch bruikbare resultaten beschikbaar komen. Bovendien betreft het interventiestudies gericht op klinische groepen met veel problemen, zoals gezinnen waarin mishandeling aan de orde is.”
Wat zou er moeten gebeuren?
“Ik zou willen pleiten voor herhaalde preventieve oudertrainingen voor adoptieouders. Ze krijgen nu al training om sensitief te reageren op hun kind. Daarin zijn ze vooralsnog uniek: geen andere groep ouders ontvangt dergelijke training voordat er problemen kunnen ontstaan, en dat is een heel goede zaak. De bestaande training is gebaseerd op videofeedback waarmee collega Femmie Juffer als eerste heeft geexperimenteerd. Maar de duur van de training is beperkt. Ik stel voor om dergelijke oudertraining regelmatig te herhalen. Je kunt je indenken dat het gedrag en de nonverbale taal van een kind in de loop van de tijd veranderen. Peuters en kleuters gaan grenzen verkennen en moeten grenzen gesteld krijgen. De klassieke sensitiviteitstraining is daarop niet gericht. We hebben in Leiden een methode ontwikkeld om sensitief te reageren en tegelijk grenzen te stellen: “Videofeedback to Promote Positive Parenting, Sensitive Discipline” (VIPP-SD). Die methode heeft effect, ook bij peuters en kleuters die risico lopen om een overmaat aan opstandig gedrag te ontwikkelen. Het is relatief eenvoudig te gebruiken en laat ouders vooral bewust worden van hun eigen sterke kanten.
Het is een manier om ouders preventief te ondersteunen in plaats van dat je wacht op problemen die mogelijk gaan komen.
Een dergelijke oudertraining zou voor alle ouders goed zijn, maar adoptieouders zijn een ideale groep om mee te beginnen. Ze zijn goed georganiseerd, een eerste kennismaking hebben ze al gehad en over het algemeen zijn het mensen die erg bewust bezig zijn met opvoeding. Je zou meer mensen kunnen bereiken dan wanneer je je uitsluitend richt op de ernstige probleemgevallen, en daardoor kun je veel problemen voorkomen.
Wetenschappelijk gezien is het ook de enige evidence-based therapie gericht op gehechtheidsproblemen.”
En verder?
“Ik denk dat adoptieouders zich goed moeten realiseren dat de tijd ook vaak haar werk doet. Het is de vraag of eventuele problemen in de opvoeding wel een gevolg zijn van adoptie, of gewoon deel uitmaken van de levensfase waarin het kind (en de ouder) zich bevindt. Een goed voorbeeld is het zelfbeeld van adoptiekinderen. Men denkt vaak dat juist adoptiekinderen twijfelen aan hun eigen identiteit en een negatief zelfbeeld ontwikkelen. Maar alle kinderen hebben dergelijke twijfels wel, moeten de tijd krijgen om een eigen zelfbeeld te ontwikkelen. Het hoort er bij dat een kind twijfelt over de eigen identiteit, of het nu geadopteerd is of niet. Uit een omvangrijke meta-analyse van Femmie Juffer en mij is gebleken dat er in honderden studies naar duizenden kinderen geen verschil is gevonden tussen adoptiekinderen en andere kinderen als het gaat om zelfwaardering. Maar ook adoptiekinderen kampen op enigerlei moment met twijfels over zichzelf. Het zou jammer zijn als oorzaken daarvan ten onrechte aan adoptie worden toegeschreven.
Ik schat adoptieouders hoog in, over het algemeen zijn ze erg bewust met opvoeding bezig, ze blijken vaak hoogopgeleid, en hebben door de bank genomen minder psychische problemen dan niet-adoptieouders, zo is uit onderzoek van Monique van Londen gebleken. Wellicht zouden ze er goed aan doen problemen in de opvoeding soms wat meer te relativeren, en ze eerder toe te schrijven aan een gewone, voorbijgaande ontwikkelingsfase.
Dit artikel is gepubliceerd in het Adoptietijdschrift een vakblad over adoptie.
