Hersenen op sterk water
Psychiatrisch verpleegkundige Cees Boersma heeft in 25 jaar tijd een museum bij elkaar gespaard. Achter elk voorwerp zit wel een mooi verhaal. Om ervoor te zorgen dat zijn kennis niet verloren gaat, draagt hij zijn verhalen over op collega’s.
“Deze pot met hersenen op sterk water is altijd een grote publiekstrekker. Mensen willen toch graag weten waarom we dat bewaren”, zegt Cees Boersma, directeur van het historisch museum in Wolfheze. “Vroeger werd obductie gepleegd op alle overleden patiënten, waarbij met name de hersenen werden verwijderd. Op die manier probeerden de geleerden iets te weten te komen over het functioneren er van, de doodsoorzaak en het effect van langdurig medicijngebruik.”
Boersma wijst rustig, maar ook met enthousiasme op een zaagje van een centimeter of dertig dat naast de pot met hersenen ligt. “Met dat zaagje werd de schedel doormidden gezaagd, zodat de hersenen er goed uitgelicht konden worden. De man van wie deze hersenen waren, heb ik enkele decennia geleden nog verpleegd. Ongelofelijk, die man kon echt vloeken als de pest.” Volgens Boersma gaat er voor jongeren een wereld open als ze het museum betreden. “De mensen die wat langer meelopen, weten dat het er hier vroeger heel anders aan toe ging dan nu. De psychiatrische verpleegkunde heeft in een eeuw tijd een enorme ontwikkeling doorgemaakt.”
Ergens achterin het grote bosrijke terrein van psychiatrisch museum Wolfheze (officieel onderdeel van De Gelderse Roos) staat het historisch museum. Erg groot is het gebouwtje niet. Eén grote L-vormige zaal. Dat is het. Boersma is hier veertig jaar lang psychiatrisch verpleegkundige geweest. In de laatste helft heeft hij voor een heel museum aan spullen bij elkaar verzameld. Nog steeds verzamelt hij en leidt hij bezoekers rond. Om er voor te zorgen dat alle verhalen en anekdotes achter de voorwerpen niet verloren gaan, draagt Boersma in een paar avonden zijn kennis over op een aantal jongere collega’s.
Vliegende tering
“Het museumgebouw zelf”, zegt Boersma, “stamt al uit de begintijd. Het is dus al bijna honderd jaar oud. In het begin was dit een barak voor besmettelijke ziekten, mensen met de vliegende tering (tbc) werden hier verpleegd. Net als het hele terrein was ook deze barak strikt gescheiden voor mannen en vrouwen. De mannen werden verpleegd door broeders, de vrouwen door zusters.”
Die strikte scheiding vloeide voort uit het sterk christelijke karakter van het ziekenhuis. Bij oprichting droeg het de naam Vereniging tot Christelijke Verzorging van Krankzinnigen, Idioten en Zenuwlijders. Ook de verpleging moest doordrongen zijn van de identiteit. In de Algemeene Voorschriften voor het Verpleegend Personeel staat bij regel 1: patiënten moeten in alles met Christelijke liefde in lankmoedigheid, blijmoedigheid en beslistheid worden behandeld. “Nou”, zegt een van de aanwezigen, “er is wel veel veranderd, maar toen ik hier twintig jaar geleden kwam werken, moest ik ook nog de twaalf zonen van Jacob kennen.”
Boersma: “Dit ziekenhuis was ook een van de eerste die dagbesteding erg belangrijk vond. Dat idee kwam hier na de oorlog op. Mensen konden wel in hun stoel blijven zitten, maar het was beter als ze iets gingen doen. In het begin was dat arbeidstherapie. Ook moesten ze aardappels schillen en in de tuinen werken. Dat bespaarde bovendien op de personeelskosten. Later werd dat vervangen door alle therapieën die we nu hebben. Ook hierin kwam de christelijke identiteit weer terug. De toenmalige directeur gebruikte als argument voor de arbeidstherapie een zinsnede uit de Bijbel: ‘ledigheid is des duivels oorkussen’.”
Tegen het einde van een avond waarop Boersma zijn kennis overdraagt, maakt hij een klein rondje langs enkele museumstukken. Zo toont hij de eerste elektroshockmachine van het ziekenhuis en de complete jaargangen van de bestuursvergaderingen: “Ik weet precies hoeveel onderbroeken er in 1910 genaaid zijn.” Ook laat hij alle patiëntendossiers zien van voor de oorlog, net als ijzeren katheters en een fluitje. “Nu heb je zoemers en alarmbellen, toen had je fluitjes om te waarschuwen als er een patiënt ontsnapt was.”
Dit artikel is gepubliceerd in Bijzijn, een vakblad voor verpleegkundigen.
